Song and Circumstance – The Work of David Byrne

davidbyrne

Een veelzijdige gevoeligheid voor de veelvormige werkelijkheid. – Over ‘Song and Circumstance’ – The Work of David Byrne from Talking Heads to the Present – van Sytze Steenstra.

Het is inmiddels 35 jaar geleden dat ik voor het eerst in aanraking kwam met de muziek van David Byrne. Of beter gezegd het werk van The Talking Heads. Of misschien moet ik zeggen dat één van de rode draden, die daarbij zichtbaar werd: Brian Eno. Niet alleen in de Talking Heads muziek, maar ook in de muziek van David Bowie en van Eno zelf. Of Devo en Robert Fripp en nog later Lol Coxhill. Dit soort muziek ontdek je meestal via vrienden. In dit zeer specifieke geval was dat een groep bouwkunde studenten. Hoewel ik begreep dat Brian Eno iets had met Architectuur, hij schreef niet voor niets Music for Airports, was mij onduidelijk hoe die link te rijmen viel met David Byrne. (Byrne liet de recensie- en promotie-exemplaren van de beroemdste plaat van Talking Heads, Remain In Light uit 1980, vergezeld gaan van een lijstje met een vijftal boektitels, waarvan 2 titels over architectuur.) Dat werd me duidelijk toen ik begon met lezen in Song and Circumstance The Work of David Byrne from Talking Heads to the Present van Sytze Steenstra. Een boek door Byrne zelf beschreven als Nauwgezet onderzocht en griezelig juist.

Song and Circumstance is een magistraal boek. Het gaat uit van chronologisch biografisch materiaal, maar is vooral een geschiedenis van de ideeën en concepten die ten grondslag liggen aan het werk van David Byrne. Voor de goede orde: Byrne is niet alleen zanger, tekstschrijver en musicus, maar ook kunstenaar, fotograaf, filmmaker, ontwerper, auteur en filosoof. Het is niet vreemd dat voor het juiste perspectief op Byrne’s werk een filosoof nodig was. Bijzonder is dat deze filosoof, Sytze Steenstra, uit Nederland komt.

David Byrne studeerde aan de Rhode Island School of Design, tevens de plek waar hij zijn bandgenoten ontmoette. Door aan een kunstacademie te studeren zet je als musicus andere tonen en accenten, dan wanneer je aan een conservatorium zou studeren. Het verschijnsel staat niet op zichzelf. Ook David Bowie studeerde op de kunstacademie voor hij de muziek in ging. Het levert steevast een andere kijk op conceptontwikkeling op en een andere insteek qua imago en marketing. Vooral dat laatste is bij Byrne heel duidelijk te volgen en te onderscheiden. De conceptuele aanpak van Byrne is van het begin af aan daardoor heel anders dan gebruikelijk geweest. Werd in de gemiddelde popsong tot dat moment een personage opgevoerd dat over de liefde zong, in Byrne’s teksten komen totaal andere personages of onderwerpen aan bod. Of zoals Gijsbert Kamer in Hoe David Byrne mijn leven veranderde schreef: Kom daar maar eens om vandaag de dag. De popmuziek is, zoals dat met een goed Nederlands woord heet, ‘selfreferential’ geworden. Muzikanten verwijzen vooral naar andere muziek maar zelden naar boeken, films of andere kunst. Wanneer dat wel gebeurt, lopen ze het risico voor pretentieus te worden uitgemaakt.

Song and Circumstance is een overzicht van het uitgebreide en heel diverse werk van de New Yorkse kunstenaar David Byrne (1952), met nadruk op de conceptuele en theoretische achtergrond van dat werk. Byrne heeft een uitgebreid en zeer heterogeen oeuvre gemaakt. In de jaren ’70 en ’80 werd Byrne wereldberoemd als zanger en artistiek leider van de popgroep Talking Heads; daarnaast werkte hij samen met vooraanstaande kunstenaars als theatermaker Robert Wilson, beeldend kunstenaar Joseph Kosuth, theatergroepen Mabou Mines en de Wooster Group, componist Brian Eno en vele anderen. Byrne regisseerde films en een antropologische documentaire, werkte mee aan theaterprojecten, hij exposeert fotowerk, maakt kunstboeken, werkt als curator van exposities en beheert een eigen muzieklabel, Luaka Bop, dat de wereldwijde diversiteit van de hedendaagse popmuziek wil laten horen. Byrne gebruikt geen van deze kunstvormen als middel voor individuele expressie, maar maakt steeds een Gesamtkunstwerk, een ontmoetingsplaats van uiteenlopende vormen van artistieke representatie. En hoewel zijn werk functioneert in de populaire massamedia, waar ieder product, of het nu een filmscript is, een videoclip of een top 40-liedje, moet voldoen aan strenge formele eisen van eenheid en herkenbaarheid, slaagt Byrne er vaak in om toch methoden toe te passen die zijn ontwikkeld in de conceptuele kunst en in het performance-theater. Juist in de vermaaksindustrie, waar aan conventies angstvallig wordt vastgehouden, is hij erin geslaagd te experimenteren met de geldende mimetische conventies. Hij heeft bovendien gebruik gemaakt van een breed scala van artistieke methodes en wetenschappelijke inzichten om een reflexief perspectief te ontwikkelen op kunst en representatie in de breedste zin van het woord.

Het bovenstaande is een belangrijke reden waarom het werk van Byrne interessant is voor ontwerpers, reclamemakers, multimedia artiesten, communicatie experts en natuurlijk voor musici. Song and Circustance is een filosofische verkenning van het werk van David Byrne op het kruispunt van massamedia, conceptuele kunst en performance theater. Het mag duidelijk zijn dat een boek met een dergelijke diepgaande scope niet binnen het bestek van een blogposting besproken kan worden. Desondanks wil ik aan de hand van een aantal in het Nederlands vertaalde citaten uit een voorloper van het boek, Wij zijn het gedruis tussen zenders, het belang van het boek schetsen aan de hand van tekstuele en visuele citaten:

Terwijl de Talking Heads in het begin van hun loopbaan de rituelen van rockmuziek (gitaar- en drumsolo’s, overdreven poses, flitsende belichting) angstvallig vermeden, citeerde Byrne later in toenemende mate muzikale rituelen uit verschillende culturen, zowel uit de V.S. (met name de evangelische televisiedominees) als met name uit West-Afrika. Om de Afrikaanse polymetrische muziek te kunnen nabootsen werkte hij ook samen met etnomusicoloog John Chernoff, die in Nigeria was opgeleid tot traditioneel drummer. Byrne en Chernoff schreven samen songs en muziek voor een ballet.

Byrne’s belangrijkste film is True Stories uit 1986, een speelfilm waarin hij werk van de artistieke avantgarde combineert met voorbeelden van performance uit het dagelijks leven. Aan de film werd meegewerkt door Meredith Monk en Spalding Grey (van de Wooster Group), Byrne citeert bovendien uit werk van Robert Wilson en het Judson Dance Theater. Als alledaagse vormen van performance toont de film onder andere een modeshow in een winkelcentrum, televisie-soaps, karaoke in een disco, een parade. True Stories is een informeel, collectief Gesamtkunstwerk, een film over de plaats van nabootsing en theater in het dagelijks leven. Een rode draad door Byrne’s werk is zijn belangstelling voor rituelen en theatervormen uit andere culturen, een belangstelling die hij deelt met andere makers van performancetheater.

Andere voorbeelden van culturele uitwisseling zijn Byrne’s samenwerking met een Latin orkest, soundtracks die hij maakte voor een aantal documentaires over niet-Westerse kunstenaars en zijn muzieklabel Luaka Bop. Dit label brengt popmuziek uit onder andere Brazilië, Cuba, Angola, Algerije, India en Japan onder de aandacht van een Westers publiek. Byrne zoekt daarbij niet naar authentieke muziek die niet door Westerse pop is beïnvloed, maar juist naar muzikanten die contrasterende invloeden uit verschillende tradities verwerken, en zodoende afsteken tegen de eentonige hoofdstroom van de popmuziek.

Door jaarverslagen van grote ondernemingen, reisfolders en management- en self-improvement goeroes te imiteren en uit te vergroten, toont Byrne de pogingen om zelfs de meest routineuze commercie in een transcendent en inspirerend licht te plaatsen. The New Sins Byrne’s bijdrage aan de Biënnale van Valencia in 2001, lijkt qua tekst en vormgeving op een catechismus. In foto’s en tekst speelt Byrne hier met het idee dat godsdienstige symbolen en mythen de chaotische werkelijkheid vervalsen en desondanks onmisbaar blijken.

Byrne gebruikt het werk van Jung als een hypothese die de vergelijkingen tussen vormen van enthousiasme en rituele bezetenheid in diverse culturen aanmoedigt en structureert. Als aanvulling hierop heeft Byrne uit sociobiologisch onderzoek geciteerd, waarin door onderzoekers R. Fox en L. Tiger het bestaan van een menselijke biologische grammatica wordt gepostuleerd. Zo’n biogrammatica zou ten grondslag liggen aan alle menselijke culturen, wat helpt te verklaren dat mensen zich betrekkelijk gemakkelijk kunnen verplaatsen in andere culturen; er zouden biologische mechanismen tot uitdrukking kunnen komen in allerlei vormen van cultureel gedrag.

De Wooster Group presenteert een door montage verdichte vorm van realisme, waarbij de ingrijpende stilering van de waargenomen werkelijkheid door de massamedia wordt benadrukt. In het werk van de Wooster Group wordt met alle mogelijke theatrale middelen onderzocht hoe zulke hallucinerende stileringen deel uitmaken van de historische werkelijkheid. De loopbaan van Laurie Anderson, tenslotte, vertoont velerlei raakvlakken met die van Byrne. Anderson’s werk, met name haar voorstelling United States laat zien hoe de mogelijkheid om het bestaan in een coherent levensverhaal vorm te geven wordt ondermijnd in een samenleving die zichzelf voortdurend herdefinieert aan de hand van de laatste technologische ontwikkelingen. Tegelijkertijd bieden de elektronische media ongekende mogelijkheden om verhalen en rituelen uit te wisselen en opnieuw te monteren. Twee voorbeelden kunnen het bovenstaande verduidelijken. In een liedtekst die hij schreef voor Robert Wilson’s The Knee Plays, getiteld The Sound of Business beschrijft Byrne een alledaagse autorit.

Ze reden in zuidelijke richting op de snelweg. Voor zaken naar een andere stad, groter dan de stad die achter hen lag. Zaken werden gedaan tijdens kantooruren, in beide steden. Deze rit gold ook als zakelijk. Het gevoel andere auto’s in te halen was ook zakelijk: het gevoel van zakendoen, het gevoel langzaam te drijven door een veld van bewegende voertuigen. Dit was de ware snelheid: de snelheid van zaken. Let op de cijfers op de snelheidsmeter! Een van de twee speelde met de radio, langzaam wisselend van de ene zender naar de ander, soms luisterde hij naar twee zenders tegelijk. Op een zender praatte een man met een andere man aan de telefoon. De andere zender speelde oude hits, voorgoed verdwenen…

Deze doodgewone situatie is in alle opzichten bepaald door technologische media. Steden, auto’s, snelwegen, radiozenders, telefoon, radiogesprekken, popmuziek: het zijn in deze tekst allemaal overlappende media, die samen een ongrijpbaar, drijvend gevoel opleveren: de mensen in de auto zitten stil en bewegen, doen niets en werken, zijn geïsoleerd en tegelijk door en door verbonden met de maatschappij waarin ze leven.

In United States Part 1 beschrijft Laurie Anderson een andere doodgewone situatie, in So Happy Birthday: Ze zei dat het het moeilijkste was om haar kind van drie bij te brengen wat leeft en wat niet. De telefoon gaat en ze houdt hem bij haar kind en zegt, ‘Het is je grootmoeder. Zeg eens wat tegen grootmoeder.’ Maar ze heeft een stuk plastic vast. En het kind zegt bij zichzelf, ‘Wacht eens even. Leeft de telefoon? Leeft de televisie? En die radio dan? Wat leeft er in deze kamer en wat niet? Helaas kan ze deze vragen niet onder woorden brengen.

Dit impliceert dat kunst en filosofie in laatste instantie niet van elkaar te onderscheiden zijn. Dit blijkt ook uit de lievelingthema’s van de vroege romantiek: het idee dat verschillende kunstvormen zouden kunnen samengaan (tot een Gesamtkunstwerk) om culturele vernieuwing te bewerkstelligen; het verlangen naar een nieuwe mythologie, waarin zulke ideeën voor iedereen begrijpelijk zouden worden; en het mystieke idee dat in het hoogste kunstwerk uiteindelijk de hele werkelijkheid zou kunnen worden gesymboliseerd, omdat in een universele wederkerige representatie uiteindelijk ieder object, teken of interpretatie kan worden gebruikt als teken voor al het andere, wat tot universele harmonie zou leiden. De ironie die de vroege romantiek kenmerkt, komt voort uit het besef dat dit ideale kunstwerk onbestaanbaar is, evenals trouwens de ideale samenleving die op dit kunstwerk gebaseerd zou zijn.

Latour wijst erop dat wij in gemeenschappen leven waarin de samenhang in hoge mate afkomstig is van objecten die in laboratoria ontwikkeld zijn: om de technologische ontwikkelingen te kunnen volgen, hebben Westerse samenlevingen zelf kenmerken van een laboratorium overgenomen. Inwoners van die samenlevingen onderhouden volgens Latour een mimetische en vaak fetisjistische relatie tot wetenschap en technologie. De moderniteit kan daarom niet alleen vergeleken worden met een enorm technologisch laboratorium, maar ook met een collectief Gesamtkunstwerk, dat zowel de massamedia en prenatale diagnostiek als intelligente bommen en voortdurend scherper gestelde wereldrecords omvat. De analyse die socioloog Pierre Bourdieu heeft gemaakt van de televisiejournalistiek laat zien hoe een machtig medium als televisie, door de druk die uitgaat van de concurrentie tussen zenders, journaals en journalisten, ondanks de ver ontwikkelde techniek vaak maar weinig ruimte overlaat voor reflectie op het vertoonde. Onbewust wordt de complexiteit en heterogeniteit van de moderne samenleving zodoende al snel gereduceerd tot een paar overzichtelijke collectieve vooroordelen. Tegelijkertijd scheppen de elektronische media, zoals antropoloog Arjun Appadurai heeft beschreven, een nieuwe wereldwijde culturele instabiliteit, nu individuen en groepen hun overtuigingen vrijelijk kunnen samenstellen uit materiaal dat zij aan verschillende culturen ontlenen. Hierdoor ontstaan nieuwe gemeenschappen met geïmproviseerde en hybride identiteiten, die een veelheid aan nieuwe, onderling tegenstrijdige sociale bewegingen mogelijk maken.

Tegen deze achtergrond verschijnt het werk van David Byrne als exemplarisch, omdat het dergelijke ontwikkelingen bewust en consequent heeft verwerkt. Het vormt een voorbeeld van mimetische reflexiviteit, door steeds te laten zien hoe de hedendaagse authentieke ervaring doordrenkt is van modellen die worden aangereikt door de massamedia. Dat maakt de ervaring niet inauthentiek, maar stelt wel hogere eisen aan de reflexiviteit. Byrne’s oeuvre bevat een poëtica van de populaire massamedia. De massamedia, die in belangrijke mate moderne culturen vormgeven, kunnen volgens deze poëtica in principe een vermogen tot reflectie en zelfkritiek ontwikkelen, en daardoor een polyattentiveness ontwikkelen, een veelzijdige gevoeligheid voor de veelvormige werkelijkheid. Byrne’s positie op het kruispunt van de massamedia, conceptuele kunst en performance-theater biedt bijzondere mogelijkheden om de ervaring van een steeds meer gemediatiseerde werkelijkheid te begrijpen.

Zoals al eerder gezegd: Song and Circumstance is een magistraal boek. Magistraal omdat het een van die zeldzame uitgaven is die je een levenlang kunt blijven herlezen, omdat je telkens weer op diepere lagen stoot die nog diepere betekenissen onthullen. Een duizelingwekkend boek, maar wel eentje waar je fluitend mee op inspiratietocht gaat! Het boek is uitgegeven bij Continuum Books en ook via de Nederlands boekhandel te krijgen.

Je kunt David Byrne ook volgen op zijn weblog | Over zijn boek Learning to Love Powerpoint | Meer over Song and Circumstance | Bicycle Diaries | Everything That Happens Will Happen Today | David Byrne’s Survival Strategies for Emerging Artists — and Megastars | David Byrne Photographs | Filosoferen over David Byrne (NOS radio interview met Sytse Steenstra) | My Life In The Bush Of Ghosts | Once In A Lifetime | Website Sytze Steenstra | Byrne’s Bike Racks

Dit artikel verscheen eerder op Weblog Zichtbare Zaken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *